Zwartoor pionussen komen voor in de noordelijke helft van Zuid-Amerika. Er zijn 2 ondersoorten, waarvan één ondersoort met uitsterven bedreigd wordt (Pionus menstruus reichenowi).
Ze vertoeven meestal in het regenwoud tot op een hoogte van 1500m. Zelden zijn ze te zien in open gebieden en bijna nooit komen ze naar de grond. Buiten het broedseizoen leven ze in veel kabaal makende groepen tot 100 vogels. Tijdens het broed-seizoen zijn de groepjes veel kleiner.
Op het menu staat vooral veel fruit, bessen, zaden en bloemen van bomen. Heel uitzonderlijk doen ze een graanveld of een bananenplantage aan. Ze zijn wel vaak te zien langs de oevers van rivieren waar ze mineralen putten uit de oeverklei.
Ze maken of vinden een nest in een boomholte of een holle tak. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 3 of 4 eieren. Verder is er weinig bekend over hun gedragingen in hun natuurlijk biotoop.
In de volière komt het erop aan om vooral veel fruit en groenten te serveren. De zaadmengeling komt op de tweede plaats. In de lente en de zomer krijgen ze ook gekiemde zaden en verse takken met blad en bloem-knoppen. Ze hebben regelmatig behoefte aan mine-ralen. Tijdens de broedperiode krijgen ze ook honde-brokken en hoevekaas (dierlijke eiwitten).
Ze leggen 3 tot 4 eieren, broeden vanaf het tweede ei en dat voor 26 dagen. Na 70 dagen vliegen de jongen uit en een week of drie later zijn ze zelfstandig.

Zwartoor pionus