Herkomst: Nieuw-Guinea, Papua Eilanden en diverse eilanden in de Geelvinkbaai.
De zwartkop-lori, die ook wel vrouwen-lori wordt genoemd, komt voor in zeven ondersoorten die zowel in grootte als in kleur weinig van elkaar verschillen.
Het is dan ook uiterst moeilijk om deze zeven soorten juist te gaan determineren, ook al omdat lang niet alle soorten regelmatig werden geÔmporteerd.
De soorten die vrij regelmatig in de handel aangetroffen worden, al is het dan maar met mondjesmaat, zijn de zwartkop-lori (Lorius lory), de Salvadoriís lori (Lorius salvadorii) en de Jobi-lori (Loriusl. jobiensis). Deze laatste twee soorten lijken erg veel op elkaar, ze hebben beiden een bredere nekband dan de zwartkop-lori en de ondervleugeldekveren zijn blauw inplaats van rood. Ze zijn tevens ook kleiner van formaat.
Zwartkop-loriís werden vroeger hoofdzakelijk als enkeling in een kooi of ook wel los op een standaard gehouden. Ze gaan vaak door als zeer leergierig die vrij goed kunnen leren spreken.
De laatste jaren worden ze echter steeds meer paarsgewijs gehouden, maar geslaagde kweken komen nog maar sporadisch voor.
Een nadeel van deze vogels is hun harde geschreeuw die ze vooral ís morgens vroeg nogal eens laten horen.
Ze zijn vrij sterk en gemakkelijk in onderhoud, maar dienen wel het gehele jaar over een dikwandige nestkast te beschikken die ze gebruiken als slaapplaats. Tijdens de winter brengt men ze het beste onder in een verwarmde locatie.
Zwartkop lori