Stanleys leven in het uiterste zuidwestelijke puntje van Australië. Er bestaat ook nog een ondersoort: de roodrug Stanley, wiens rugveren rode zomen vertonen. In hun klein verspreidingsgebied komen ze zeer talrijk voor. Ze wisten optimaal te profiteren van de bosontginning en het telen van graangewassen.
Men vindt ze per paar of in kleine familiegroepjes. Het gebeurt wel dat verschillende groepjes elkaar treffen in een graanveld of bij een drinkplaats, maar na het lessen van de dorst of het stillen van de honger, vliegen ze elk weer hun eigen weg. Het zijn stille, rustige vogels en dan ook moeilijk te ontdekken. Vaak worden ze pas opgemerkt als ze er vandoor vliegen. Tijdens de warmste uren van de dag zitten ze in hoge bomen te genieten van de schaduw. Ze zijn niet schuw en vaak worden ze zelfs enigszins aanhankelijk rond boerderijen en huizen in een rustige buurt. Opvallend is dat een paar zeer aan elkaar gehecht is.
Op het menu staan graszaden en groenvoer dat ze op de grond vinden. Daarbij nemen ze ook fruit, bessen, knoppen, noten, bloemen, nectar en insecten. Het gebeurt dat ze schade aanrichten in graanvelden en boomgaarden, vooral appels moeten het dan ontgelden.
Het kweekseizoen begint in augustus en duurt tot in december. Hun nesten bevinden zich haast altijd in dode eucalyptusbomen. De pop legt 3 tot 7 eieren, die ze alleen bebroed. Na 19 dagen pikken de jongen uit en na 5 weken vliegen ze het nest uit. De pop komt tijdens het broeden alleen ‘s morgens en ‘s avonds van het nest om te eten. Het gebeurt dat jonge vogels reeds zelf tot broeden overgaan, niettegenstaande dat ze nog niet helemaal op kleur zijn.
Stanley rosella