Er bestaan drie soorten Senegalpapegaaien. De nomi-naatvorm heeft een gele buik, dan is er nog een ondersoort met een oranje en één met een oranjerode buik. Ze komen voor in Centraal Afrika van de Westkust tot in het zuidwesten van Tsjaad. Ze leven er in de savanne en in open wouden. De populatie in een bepaalde streek schommelt naargelang de beschikbare voedselvoorraad. Ze eten zaden, graan, fruit (vooral vijgen) en knoppen. Ook halen ze millet, maïs en aardnoten van de velden van de plaatselijke bevolking. Biettegenstaande er heel wat Senegalpapegaaien uitgevoerd werden de laatste jaren, komen ze toch nog talrijk voor.
Soms ziet men ze alleen, per paar of in groepjes van 10 tot 20 vogels buiten het broedseizoen. Ze zijn schuw en niet te benaderen. Meestal zie je ze dan ook alleen maar voorbij vliegen, waarbij ze voortdurend kreten slaken. Ze trekken van het ene gebied naar het andere, naargelang er voedsel voorradig is.
In de volière zijn het levendige vogels wanneer ze zich niet bekeken voelen. Eens ze mensen gewaar worden, zijn ze schuw, soms zelfs in paniek. Jonge vogels zijn rustiger en in gevangenschap gekweekte exemplaren zijn vaak handtam. Meestal zijn ze wel verdraagzaam tegenover andere vogels.
Tijdens het broeden zijn ze vaak agressief tegenover de verzorg(st)er. Ze worden het best gehuisvest in een schaduwrijke volière. Hang de nestkast in een donkere hoek. Ze kunnen heel vroeg in het jaar beginnen. Ze leggen 3 of 4 eieren, die door beide oudervogels bebroed worden. Toch neemt de pop het leeuwenaandeel voor haar rekening. De broedduur bedraagt 25 dagen. Na 9 à 10 weken pas vliegen de jongen uit. De meeste paren kennen een 6-maandelijkse cyclus, w.w.z. dat ze een half jaar later een tweede legsel kunnen starten.

Senegal papegaai