Deze soort komt voor in het westen van Ecuador en het noordwesten van Peru. Je vindt ze er in de wouden, voornamelijk in de gebieden met woudresten, bestaande uit afzonderlijke bomengroepen tot op een hoogte van 500 m. Occasioneel ziet men ze ook eens aan de rand van het regenwoud en in de buurt van dorpen en steden. Ze komen nog tamelijk veel voor in groepjes van 6 tot 10 vogels. Vroeger zag men vluchten van meer dan duizend vogels. Buiten het broedseizoen trekken ze voortdurend. Ze zijn luidruchtig en daardoor ook opvallend aanwezig.
Wat ze in de vrije natuur op het menu hebben, is nog altijd een raadsel. In de volière krijgen ze naast een zaadmengeling veel fruit en groenten, halfrijpe maïs, rozenbottels en groenvoer.
In de volière zijn ze tamelijk luidruchtig. Het zijn geen verwoede knagers, wel zijn ze schuw en eerder terughoudend. Wanneer je ze echter ongemerkt kunt gadeslaan, merk je dat het speelse en nieuwsgierige vogels zijn. Jonge vogels zijn wel vlug aanhankelijk. Ze kunnen ook vrij gehouden worden.
Zelden wordt er ook mee gekweekt, hoewel dit niet zo moeilijk is. De paren worden afzonderlijk gehou-den, zeker vanaf april. In mei kan de pop dan 3 of 4 eieren leggen, die ze 23 dagen bebroedt. Na 50 dagen vliegen de jongen uit.
Roodmasker aratinga