De nominaatvorm komt voor in het oosten en het zuid-oosten van AustraliŽ. Er leeft een ondersoort in het noord-oosten, die kleiner is en donkerder van kleur. In gevangen-schap werden de beide soorten aanvankelijk niet erkend en door mekaar gekruist, zodat het nu moeilijk te zeggen is of we met een nog zuivere soort te maken hebben. Een twee-de ondersoort leeft op het Kangoeroe-eiland aan de zuidkust van AustraliŽ. In hun leefgebied komen ze nog vrij talrijk voor.
Ze leven meestal per paar of in kleine groepjes van 4 ŗ 6 vogels. Jonge vogels verzamelen na het broedseizoen in grotere vluchten. Vaak zijn dat gemengde vluchten met de gewone Rosella.
Vaak ziet men ze op de grond op zoek naar voedsel. Ze eten graszaden, zaden van bomen en struiken, fruit, bessen, knoppen, noten, bloemen, nectar en insecten. Ze zijn niet schuw en gemakkelijk te benaderen.
Ze nestelen meestal in boomholtes of holle takken van dode bomen. Het legsel bestaat uit 3 tot 7 eieren. De pop broedt alleen. Ze verlaat het nest alleen heel even in de vroege morgen en de late avond. De broedduur bedraagt 19 dagen, na 5 weken vliegen de jongen uit. Soms vindt men vogels die nog niet helemaal op kleur zijn en toch al aan het broeden.
In de voliŤre bekomen ze al gauw aanhankelijk. Ze houden van verse takken en een bad. Meestal zijn ze niet samen te houden met andere soorten. Ze scharrelen graag in het zand op de grond; vandaar dat het wenselijk is ze regel-matig te ontwormen. Ze verkiezen een nestkast met een diameter van 25cm en een diepte van minstens 60cm. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 5 tot 7 eieren. De pop broedt 20 tot 21 dagen, waarbij ze in die periode door de man gevoederd wordt. Ze verlaat het nest alleen om zich te ontlasten. Na 35 dagen vliegen de jongen uit en 2 weken later zijn ze zelfstandig. Haal de jongen van de ouders na 4 weken, de kans zit er in dat ze nog eens tot broeden overgaan.
Pennant rosella