De Papua lori kent 3 ondersoorten die alle 3 in een rode en een zwarte vorm kunnen voorkomen. Alleen de nominaatvorm komt niet in het zwart voor. Van de ondersoorten is de Charmosyna p.stella of Stella lori wel de bekendste. Verder is er nog de Charmosyna p.goliathana en de Charmosyna p.wahnesi. Alle 4 de soorten komen voor op Nieuw-Guinea. Ze komen er nog vrij talrijk en plaatselijk zelfs zeer talrijk voor.
De wouden in het bergachtig binnenland vormen hun lievelingsbiotoop. Ze komen er voor op hoogtes tussen 1500 en 3500m. Merkwaardig is dat beneden de 2000m bijna uitsluitend de rode vorm voorkomt. Hoe hoger men gaat, hoe meer de zwarte vorm verschijnt.
Ze leven per paar of  in kleine groepjes buiten het broedseizoen. Ook ziet men vaak gemengde groepen met andere lori’s, wanneer ze op zoek zijn naar voedsel in de bloeiende boomkruinen en struiken. Het zijn zeer actieve vogels die gretig van de ene naar de andere tak wippen. Ze zijn moeilijk te zien in de bomen. Ze vallen wel op in de vlucht en zijn dan gemakkelijk te herkennen met hun lange staart. Ze vliegen meestal laag en zelfs door struikgewas en gebladerte van de bomen.
Op het menu staan pollen, nectar, bloemen, fruit, bessen, zaden en insecten en hun larven.
Over het broedgedrag is weinig bekend. Het lijkt erop dat rode vogels alleen rode jongen geven en dat de zwarte vorm zowel rode als zwarte jongen geeft. In de volière is het niet zo moeilijk om ze te kweken. Voorwaarde is dat ze de correcte voeding voorgeschoteld krijgen. Het broeden begint meestal in mei. Het legsel bestaat uit 2 eieren, die 28 dagen bebroed worden afwisselend door de pop en de man. Na 8 à 9 weken vliegen de jongen uit en nog eens 3 à 4 weken later eten ze alleen. voor het tweede legsel begint, moeten de jongen verwijderd worden omdat ze wel eens oorzaak kunnen zijn van gebroken eieren. Tijdens het broeden kunnen ze wel agressief zijn tegenover andere lori’s. Per koppel kweken is aan te raden.

Papua lori