Naast de gekende Koningsparkiet die uit het oosten van AustraliŽ komt, bestaat er ook nog een kleinere soort die alleen voorkomt in het noordoosten. Ze leven voornamelijk in de dichte begroeiing van de Eucalyptusbossen. Buiten de broedperiode treft men ze ook aan in parken, tuinen en boomgaarden. Waar ze enkele decennia geleden nog vrij talrijk voorkwamen slinkt hun aantal in de vrije natuur door het wegkappen van de Eucalyptusbomen. Op sommige plaatsen worden die vervangen door coniferen.
Gewoonlijk leven ze per paar of  in kleine groepen. In de herfst komen de jonge vogels samen in vluchten tot 30 vogels. Ze vormen ook gemengde groepen met de Pennant rosella of de Gang-gang kaketoe. De dag brengen ze grotendeels door in de bomen. In de voliŤre zijn ze niet te luidruchtig. Het blijkt een sterke, geharde vogel te zijn, die echter lusteloos wordt in een te kleine kooi. Koningsparkieten komen al vlug aanhankelijk t.o. hun verzorger. Kweekparen dienen samengesteld met jonge vogels, daar oudere vogels moeilijk met elkaar overweg kunnen. Het zijn geen knagers en ze vertoeven vaak op de grond. Vandaar dat ze regelmatig ontwormd moeten worden.
Op hun menu vinden we fruit, bessen, noten, graszaden, groenten, bloemen, knoppen, insecten en hun larven. Ze brengen vaak aanzienlijke schade aan in maÔsvelden en boomgaarden.
Het broedseizoen begint in AustraliŽ in september en duurt tot in januari. Ze kiezen nestholtes in bomen of holle takken van dode bomen. Die holtes zijn vaak meters diep en onderaan bedekt met kleine stukjes rottend hout. Het legsel bestaat uit 3 tot 6 eieren. De pop broedt alleen. De man blijft altijd in de buurt. In de voliŤre beschikken ze het best over een diep nestblok. Tijdens het broeden worden ze niet graag gestoord. Oppassen dus met nestcontroles. Ze zijn kweekrijp vanaf het tweede jaar.

Konings parkiet