Bij de Kleine Geelkuif Kaketoes zijn er drie ondersoorten waarvan de Oranjekuif de bekendste is. Ze leven op vele kleine eilandjes in Indonesië. Alle soorten zijn MET UITSTERVEN BEDREIGD op alle eilanden. Waarschijnlijk zijn ze al verdwenen van Lombok, Noest Penida en Solom-bo Besar.
Ze verkiezen open houtland, bosranden en half verdorde gebieden met bomen tot op een hoogte van 1200m. Ze zijn vaak te zien in gecultiveerde gebieden en woongebieden op zoek naar voedsel.
Ze eten zaden, fruit, bessen, noten en bloemen.
Men vindt ze per paar of in kleine groepen tot 10 vogels. Uitzonderlijk vormen ze grotere groepen op voederplaatsen. Ze worden soms waargenomen met Edelpapegaaien op de Sumba eilanden. Meestal ziet men ze alleen in de vlucht, daar ze moeilijk te detecteren zijn in het gebladerte, maar soms komen ze ook wel eens naar de grond. Ze zijn luid-ruchtig en hebben een snelle vlucht met lichte vleugelslagen, begeleid met herhaalde kreten.
Het broedseizoen begint waarschijnlijk in september. Ze verkiezen de Gossampinus-bomen als nestplaats.
In de volière zijn ze nu den dan zeer luidruchtig. Het zijn zeer felle knagers, zelfs het gaas moet van het stevige soort zijn. Geef ze regelmatig hout om te knagen. Ze zijn geneigd tot verenplukken wanneer ze zich vervelen. Na acclima-tisatie zijn het sterke vogels die al vlug aanhankelijk worden.
Er wordt vaak mee gekweekt. Hou ze in een ruime volière. Mannen in broedconditie kunnen heel agressief zijn t.o. hun pop. In kleine volières vallen er dan wel eens doden. Ze broeden gewoonlijk niet voor het derde jaar. Een legsel bestaat gewoonlijk uit 2 of 3 eieren, bij uitzondering worden er eens 5 geteld. De broedduur bedraagt 24 dagen. Na 8 à 10 weken vliegen de jonen uit. Haal de jongen op het juiste moment weg, daar ze ook wel eens het slachtoffer kunnen worden van de man. Twee legsels per jaar behoren tot de mogelijkheden.

Kleine geelkuif kaketoe