Jardine’ kennen 2 ondersoorten: de Masai en de Oranjekap Jardine. Ze komen voor in Centraal Afrika van de westkust tot bijna aan de oostkust. Ze leven er in de regenwouden tot op een hoogte van 3500m boven de zeespiegel. Ze zijn ook vaak te gast in koffieplantages. Alleen plaatselijk zijn er nog grote populaties.
Meestal leven ze pet paar of in groepjes van minder dan 10 vogels. Grotere vluchten komen alleen voor wanneer de hoeveelheid voedsel dat toelaat. Ze worden regelmatig ge-observeerd tijdens het vliegen van en naar hun slaap-plaatsen. Ze zijn luidruchtig tijdens hun vlucht en stil bij het eten. Doorgaans zijn ze schuw en voorzichtig. Hun voeder-plaatsen liggen soms tot 60km van hun slaapplaatsen verwijderd. Ze verlaten die slaapplaatsen meestal nog voor het ochtendgloren. Ze eten zaden, noten, bessen, fruit, bloemen en insecten.
De broedplaatsen treft men aan boven de 2300m.  De nestholtes bevinden zich in hoge bomen, gemiddeld 9m boven de grond. Ze gebruiken ook nestholtes van baard-vogels. De holtes zijn tussen 60cm en 2m40 diep. De pop legt 2 tot 4 eieren. De jongen blijven waarschijnlijk bij de oudervogels tot het volgend broedseizoen.
In de volière zijn het rustige papegaaien, die langzaamaan vertrouwelijk komen. Ze zijn actief en speels en moeten altijd iets hebben om zich mee bezig te houden. Ze hebben de neiging om hun veren te plukken als ze in een kleine kooi gehouden worden en zich vervelen. Men bekomt er broedresultaten, maar vaak met de nodige problemen. Eieren pikken niet uit of de jongen sterven. Het broed-seizoen kan in een beschutte volière reeds beginnen in januari. Wanneer een eerste legsel mislukt, volgt er meestal nog een tweede. De broedduur bedraagt 26 dagen. Na 9 à 10 weken vliegen de jongen uit. Nestcontroles zijn delicaat. De jongen worden vaak geplukt bij het grootbrengen.

Jardine papegaai