Er komen 2 soorten voor in Afrika van Guinea in het westen tot het zuiden van Soedan in het oosten en 2 soorten in Azië : in Pakistan, India, Ceylon, Nepal en Birma. Ze leven er in grote getale in open vlaktes met hier en daar wat bomen en/of struiken. Ook in niet al te dicht begroeide bossen, parken, tuinen en plantages zijn ze een vaak geziene gast. Sommigen wagen zich zelfs in de steden. Eigenlijk komen halsbandparkieten bijna over de gehele wereld voor, daar ze op vele plaatsen uitgezet werden (bvb. in het Zoniënwoud nabij Brussel). In grote groepen (soms tot duizend vogels) gaan ze op zoek naar voedsel. Je kunt je indenken wat een ravage ze kunnen aanrichten wanneer ze met zo’n troep een plantage of een graanakker aandoen. Ze zijn dan ook geen graag geziene gast bij de plaatselijke landbouwbevolking. Ze zijn niet schuw, wel luidruchtig en opvallend.
Op het menu staan naast de vruchten van het veld en de plantages ook nog (vooral) fruit, bessen, zaden, bloemen en nectar.
Ze nestelen in holtes hoog in de bomen. Vaak nemen ze echter ook genoegen met een verlaten spechtennest of met een nis ergens in een (toeristische) ruďne. De bodem van het nest is bedekt met fijngeknaagd rot hout. De pop legt 2 tot 5 eieren die ze 21 tot 24 dagen bebroed. Soms doet de man ook zijn deel in het broeden, maar dat zal niet zo groot zijn als het aandeel van de pop. Na 7 weken vliegen de jongen uit.
In de voličre zijn ze eveneens luidruchtig. Ze knagen ook heel graag. Op tijd verse takken aanbieden is geen luxe. Het zijn sterke, winterharde vogels die een bad op prijs stellen. Vaak komen ze ook aanhankelijk met hun verzorger. In een ruime voličre kunnen ze in kolonie gehouden worden en de durvers kunnen het ook eens proberen buiten de voličre in vrijheid. Met deze parkiet wordt vaak gekweekt en de lange rij kleurmutaties die er al gekweekt zijn is haast niet te overzien. Nu nog komen er nieuwe kleuren tot stand door het zorgvuldig uitkienen van de erfelijkheidswetten van Mendel
Halsband parkiet