Met zijn 4 ondersoorten leeft de Grote Alexander Parkiet in India, Sri Lanka, Vietnam, Laos, Thailand en op Sri Lanka en de Andaman eilanden. Ze komen alleen plaatselijke in grote aantallen voor en vaak zijn ze maar seizoensgebonden te observeren in bepaalde delen van het grote verspreidingsgebied. Ze bevolken er de wouden tot op een hoogte van 1600m. Ook in landbouwgebieden en open vlaktes met hier en daar wat bomen komen ze voor. Vaak zijn ze ook te zien in parken, tuinen, fruit en kokosnootplantages.
Buiten het broedseizoen leven ze per paar of in kleine groepjes. ‘s Avonds verzamelen ze in grotere groepen - soms meer dan 1000 vogels - in bepaalde delen van het woud voor de nacht. ‘s Morgens is er dan een immens geschreeuw wanneer de groepjes weer elk hun weg gaan naar de voederplaatsen. Ze zijn op hun hoede en schuw.
Op het menu staan zaden, noten, fruit, bessen, platkoppen, bloemen en nectar. Ze brengen heel wat schade toe aan graan-, rijst- en maďsvelden. Ook fruitplantages hebben te lijden, daar ze meer fruit aanpikken dan ze nodig hebben om zich te voeden.
Het broedseizoen begint in november en eindigt in april. Ze zoeken een nest in hoge bomen, soms ook in rotsspleten. Ze verkiezen dode palmbomen of bomen met zacht hout. Daar knagen ze dan zelf een holte in uit. Verlaten spechten- en baardvogelnesten voldoen ook. Soms broeden ze in kolonie. Verschillende paren broeden dan in dezelfde boom. De nestbodem is bedekt met rottend hout. Daarop legt de pop dan 2 tot 4 eieren, die ze 28 dagen bebroed. Na 7 weken vliegen de jongen uit en 3 weken later zijn ze zelfstandig.
In de voličre zijn ze actief en verwoede knagers. Eens geacclimatiseerd zijn ze sterk en winterhard. Tegenover andere vogels zijn ze onverdraagzaam. In het begin zijn ze schuw, maar na een tijdje vertrouwen ze de verzorg(st)er en komen ze aanhankelijk.

Grote Alexander parkiet