Vele jaren lang dachten liefhebbers van grasparkieten dat,
zowel geel en wit in dezelfde vogel niet kon.
Tot de komst van de Geelmasker Blauw mutatie in de vroege jaren '30.

De dertiger jaren was een periode waarin veel nieuwe mutaties het licht zagen.
Naar het schijnt werd een paar jaar eerder ook al melding gedaan van deze mutatie.

We weten allemaal dat alle mutaties van de grasparkiet
voortkomen van de natuurlijke fel groen gekleurde grasparkiet
en in het geval van de blauwe mutatie vererft die recessief t.o.v. van de groene.
Men ontdekte dat de geelmasker dominant vererft t.o.v. van de witmasker.
Blauw mutatie en dus niet onzichtbaar (split) aanwezig kan zijn.

De eerste kwekers van deze mutatie ontdekten dat er meer dan één variant was.

Wanneer we twee geelmaskers aan elkaar paren,
wordt de beperkende factor voor geel zodanig opgevoerd,
dat we een witmasker blauwe vogel krijgen.

Nadat deze nieuwe mutatie midden de jaren '30 onstond en gestaafd werd,
ondekten de kwekers dat er verschillende tinten geelmasker blauw verschenen.
De Budgerigar Society heeft deze verschillende types onderverdeeld als,
Geelmasker mutant 1, Geelmasker mutant 2 en Goudmasker Blauw.
Elk heeft zijn eigen kleuromschrijving gekregen.

Zoals alle dominante mutaties, kan het gen dat verantwoordelijk is voor deze kleurslag,
als enkelfactor of als dubbelfactor aanwezig zijn.
Vandaar dat we drie types geelmaskers hebben, maar in zes vormen.
We weten dat de groene grasparkiet de meest domintante vorm is,
en de witmasker blauw de meest recessieve vorm.
De geelmaskers bevinden zich ergens tussenin,
met mutant 2 dominant over mutant 1.

Dat betekend dat wanneer we mutant 1 en mutant 2 paren,
er alleen mutant 2 vogels zullen geboren worden,
maar wel allemaal split voor mutant 1.

BS KLEURENSTANDAARD

De Budgerigar Society Kleuren Standaard beschrijft
de Geelmasker mutant 1 als een vogel van de blauwe serie met een citroengeel masker.
Dit geel is zichtbaar op alle plaatsen over het lichaam die de vogel maskeert,
zoals de onderliggende staartveren en op de vleugels en de achterkant van de kop.
Dit geldt eveneens voor alle grasparkieten uit de blauwe serie zoals de albino, witvleugel,
spangles, wit e.a.
Dit omdat groen dominant is over blauw, geel en wit.

Het masker van de Goudmasker heeft meer weg
van boterbloemgeel vergeleken met het citroengeel van Geelmasker mutant 1,
terwijl het masker van de mutant 2 lichtjes bleker is dan het Goudmasker.

De Budgerigar Society gaf in zijn kleurenstandaard van 1994,
een uitgebreide beschrijving van de 6 mutaties.

De mutant 1 enkelfactor blauw is de meest voorkomende.
Hier is het citroengeel beperkt tot het masker en elke uitzaaiing tot,
een ander deel van het lichaam moet aanzien worden als een fout.
De uitzondering zit hem uiteraard in volledig witte vogels.

Aan de andere kant is de dubbelfactor van deze vorm eigenlijk een witmasker.
Kwekers die plots geelmaskers kweken uit twee witmaskers,
moeten dus niet denken dat ze een nieuwe mutatie hebben.
Aangezien een van beide een dubbelfactor geelmasker mutant 1 zal zijn.
De enkelfactor mutant 1 geelmasker is de meest bekoorlijke vogel.


HET OMGEKEERDE

Terwijl het geel in de geelmasker mutant 1 beperkt is tot het masker,
zien we het omgekeerde in de mutant 2 en de Goudmaskers.
Bij deze twee vormen, lijkt het geel na de eerste rui, uit te zwermen.
Met als resultaat een soort zeegroene kleur.
De herkenning wordt nog moeilijker wanneer het gaat over grijze vogels,
die er dan gaan uitzien als grijsgroen.
Alleen het geel onderaan de vleugels wijst erop dat het een geelmasker of goudmasker is.
Het boterbloemgeel bij dubbelfactorige vogels van
mutant 2 en de goudmaskers is beperkt tot het masker.

Vandaag de dag zijn op de shows alle vormen van geelmaskers te zien,
wat zeer interessant kan zijn om ze uit elkaar te leren houden.

Natuurlijk kan het geelmasker ook voorkomen bij een groene vogel.
Waarbij het groene gen het geelmasker maskeert.
Elke vorm van geelmasker of goudmasker is dominant over witmasker blauw.
Wanneer dus een geelmasker met een witmasker gepaard wordt,
zullen een aantal geelmaskers verkregen worden afhankelijk van de factor,
die de geelmasker vogel draagt.

Wanneer we bijvoorbeeld een enkelfactor mutant 1
geelmasker paren aan een witmasker,
dan krijgen we theoretisch 50% geelmaskers en 50 % witmaskers.

Wanneer twee enkelfactor mutant 1 geelmaskers met elkaar gepaard worden,
krijgen we 50% enkelfactor geelmaskers, 25% dubbelfactor en
25% witmaskers.

Natuurlijk is de dubbelfactor visueel een witmasker,
waardoor we dus 50% witmaskers in het nest krijgen,
waarvan de helft eigenlijk geelmaskers zijn.
Alleen door het uitvoeren van testparingen kan men uitmaken wie wat is.
Door deze witmaskers (dubbelfactor geelmasker) te paren aan een andere
witmasker zonder geelmasker in de achtergrond,
kunnen we 100% geelmaskers mutant 1 kweken.


DE UITZONDERING

Bij de mutant 2 geelmasker en goudmaskers zijn de
verwachtingen bij de paringen dezelfde als hierboven,
met de uitzondering dat we hier geen witmaskers krijgen die,
het geelmasker gen verborgen meedragen.