De Geelbuik Rosella komt nog vrij talrijk voor op Tasmanië. Ze zijn er zowat overal te vinden: in bossen, op savannegebied, houtland, boomgaarden, parken en tuinen. Meestal worden ze opgemerkt in groepjes van 4 à 5 vogels. Naarmate het broedseizoen nadert: per paar. Soms vormen ze ook grotere, gemengde groepen met de Tasmaanse Rosella, een ondersoort van de gewone Rosella. Jonge vogels verzamelen in groepen van een twintigtal. Ze zijn luidruchtig en vaak te vinden op de grond, op zoek naar voedsel, bestaande uit graszaden. Ze nemen echter ook zaden van bomen en struiken, fruit, bessen, bloemen, nectar en insecten. Het zijn standvogels, alleen in strenge winters verhuizen ze naar een lager gelegen gebied waar het iets warmer is. Lange vluchten maken ze op aanzienlijke hoogte, korte vluchten dicht bij de grond. Daarbij slaken ze regelmatig hun typische Rosellakreten.
Het broedseizoen begint in november en duurt tot in februari. Meestal nestelen ze in holle takken van eucalyptusbomen. Soms ook in grotten of in verlaten gebouwen. De pop legt 4 tot 5 eieren, ze broedt alleen. Ze verlaat het nest alleen in de vroege morgen en de late namiddag om zich te ontlasten. Na 19 dagen pikken de jongen uit het ei, vijf weken later verlaten ze het nest. Na nog eens 4 of 5 weken, komen ze samen met andere jonge Geelbuik Rosella’s in grote vluchten.
In de volière wordt deze soort niet zoveel gehouden. Het zijn nochtans sterke vogels met een rustig karakter. Tijdens het broedseizoen zijn ze levendiger. Er wordt ook regelmatig mee gekweekt, ondanks de kleine populatie. Het broeden begint vaak al in januari. 4 tot 6 eieren worden 20 dagen door de pop bebroed. Ze verkiezen een nestblok met binnendiameter van 25cm en een diepte van minstens 60cm, die schuin opge-hangen is. Soms beginnen ze in mei nog een tweede legsel.

Geelbuik rosella