De Brown’s rosella is te vinden in het noorden van Australië.  In het Engels wordt hij dan ook ‘the Northern Rosella’ genoemd. Hij verkiest bosrijke gebieden. Wel is er altijd water in de buurt. Soms kan men hem ook zien in parken en tuinen.
Net als in ons volièrebestand is hij ook eerder zeldzaam in de vrije natuur. Niettegenstaande elke menselijke tussenkomst in hun leefgebied ontbreekt, neem hun aantal af. Meestal leven ze in kleine groepjes van minder dan 10 vogels. Ze zijn veel schuwer dan de andere rosellasoorten en zeer moeilijk te zien. Meestal vertoeven ze op de grond op zoek naar voedsel, waar hun schutkleur ze haast onzichtbaar maakt. Alleen bij het opvliegen zijn ze duidelijk te zien. Men moet wel vlug zijn want al gauw verdwijnen ze in het gebladerte van de hoogste bomen, waar ze weer bijna niet te onderscheiden zijn. In de warmste uren van de dag rusten ze in de toppen van de bomen. Alleen ‘s morgens en ‘s avonds komen ze naar beneden om te eten en te drinken. Naarmate het broedseizoen nadert zijn ze wel luidruchtiger.
Het natuurlijk dieet bestaat hoofdzakelijk uit graszaden. Zaden van struiken en bomen zullen ze echter ook niet links laten liggen. Dit vullen ze nog aan met fruit, groenvoer, bessen en noten, bladknoppen, bloemen en nectar, insecten en hun larven.
Het broedseizoen begint in december en eindigt in februari. Ze zoeken of maken een nest in boomholtes of holle takken van eucalyptusbomen. Daarbij zoeken ze altijd wel een boom op in de nabijheid van water. Ze leggen 2 tot 4 eieren, die de pop alleen gedurende 19 dagen bebroed. Na 7 weken vliegen de jongen uit. De Brown rosella was één van de laatst geëxporteerde parkieten uit Australië. Vandaar wellicht dat er zo weinig te vinden zijn in de volières. Daarbij komt nog hun gewoonte om in de winter aan broeden te denken en het feit dat er heel weinig poppen zijn. In veel collecties zijn ze gewoon
uitgestorven.

Brown rosella