Barnards leven in het zuidoosten van Australië. Er zijn 2 ondersoorten, waarvan de Cloncurry in het noordwesten van Australië de bekendste is. ze leven in open bossen, bomengroepen langs rivieren en vooral in het laag eucalyptusstruikgewas, dat ‘mallee’ genoemd wordt. Daar heeft de Barnard ook zijn Engelse naam aan te danken: ‘the mallee ringneck parrot’. De Cloncurry zoekt het hogerop en verblijft liever in de hoge eucalyptusbomen en accacia’s. In hun klein verspreidingsgebied komen ze regelmatig voor. Toch kan gesteld worden dat er in Europa meer Barnards zijn dan in Australië.
Men treft ze meestal aan in kleine groepjes, bestaande uit de oudervogels en enkele jongen. Ze zitten veel op de grond op zoek naar voedsel, dat bestaat uit graszaden, vruchten, bloemen, bladknoppen, insecten en hun larven en zaden van struiken en bomen.
Tijdens het broedseizoen, dat begint in augustus, zonderen de paren zich af en zoeken ze in de eerder genoemde  mallee-struiken een geschikte nestplaats, die vaak heel klein uitvalt in vergelijking met de grootte van de vogel. Als nestmateriaal gebruiken ze vermolmd hout. De pop legt 4 tot 6 eieren, die ze ongeveer 20 dagen alleen bebroedt. De pop verlaat het nest slechts in de vroege morgen en de late avond. Al die tijd zit het mannetje in de onmiddellijke omgeving. Bij alarmgeroep verlaat de pop het nest om bij haar echtgenoot te wachten tot het gevaar geweken is.  Na een vijftal weken verlaten de jonge Barnards het nest. Ze blijven bij de oudervogels tot ze volwassen zijn.
In de voličre houden ze van een enigszins geďsoleerde ruimte. Met buren kunnen ze niet goed overweg. Anders zijn het rustige vogels die wel graag eens hun vleugels uit-slaan. Het broedblok mag klein zijn : 60cm hoog en een grondoppervlak van 20 op 20cm is ruim voldoende. Sommige paren geven 2 legsels op een jaar.
Barnard parkiet