Bij de Adelaïde kennen we één ondersoort: de bleke Adelaïde, die veel minder oranjerood heeft op de borst en buik. Ze missen ook de oranjerode schijn op de rug en bovenste staartveren. Adelaïdes komen voor in een heel klein verspreidingsgebied in het Zuiden van Australië. Ze leven er in beboste valleien, open houtland, galerijwouden langs waterlopen en op de savanne, als er maar enkele bomen staan. Ze zijn ook vaak te zien in de omgeving van de stad Adelaïde in parken en tuinen van de voorsteden. Ze komen nog vrij algemeen voor, alleen plaatselijk zijn ze zeldzaam.
Ze worden meestal in kleine groepjes van een vijftal vogels opgemerkt. De jongen verzamelen in grotere groepen die van het ene gebied naar het andere trekken. Ze zijn niet schuw en vaak ziet men ze op zoek naar voedsel in hoge bomen, op de grond of drinkend bij een waterpoel.
Ze eten vooral graszaden, maar ook zaden van struiken en bomen, vooral eucalyptusbomen genieten hun voorkeur. Daarbij nemen ze ook fruit, bessen, noten, knoppen, bloemen, nectar, insecten en hun larven. Vaak brengen ze aanzienlijke schade toe aan boomgaarden en graanvelden.
Ze broeden van september tot december. Hun baltsgedrag is een lust voor het oog. Ze nestelen meestal in holtes in bomen of in holle dode takken. Het legsel bestaat meestal uit 4 à 5, in uitzonderlijke gevallen tot 7 eieren. De pop broedt alleen gedurende 19 dagen. Na 5 weken vliegen de jongen uit.
In de volière verloopt de kweek gewoonlijk zonder al te veel problemen. Wel is het aan te raden de jongen na een week of 4 van de oudervogels te scheiden, daar de man wel eens agressief kan worden tegenover de jonge mannen.
Adelaïde rosella